DE GESCHIEDENIS ...
Waar de grenzen van de dorpen Ursel, Knesselare en Aalter(brug) samenkomen staat "Toatse Meuln",
(letterlijk:
"de Molen van Taets") ook genaamd de "Pietendriesmolen" (deze benaming vond pas haar ingang ruim ná 1956
onder invloed van onder andere de lokale heemkundige H. Van Hooreweghe en is derhalve historisch nogal dubieus),
"Driesmolen", "Pietenmolen" of "Molen ter Piete"(deze laatste is de naam met de oudste vermelding).
Zij zou haar topografische naam ontlenen aan de uitgebreide landerijen van de kloosterorde “Goed Ter Pieten” *
*] in 1453 aangeduid als "le avoir de le Pitte", het huidige Blauwgoed, welke haar naam dan weer zou ontlenen aan de
ligging op de grens van de gemeenten Aalter, Knesselare en Ursel. In historische bronnen wordt over "Pietepalen"
gesproken waarmee grenspalen (=bornages) werden bedoeld.
De eerste vermelding van deze windmolen stamt uit 1563 alwaar zij in een leenboek wordt vermeld als opvolger van de
vroegere Oostmolen van het nabijgelegen Aalter. De Oostmolen, een watermolen aan de Durme (nu Brugse Vaart), werd
in 1187 vermeld als de "Molino Ex Hatra" en aldaar bevond zich ook de "mijlstaak" van de Heer van Woestijne.
Iedereen binnen de straal van een mijl moest zijn graan laten malen op deze molen. In 1634 werd de Brugse Vaart voltooid
en aldus verdween de Oostmolen definitief. De windmolen staat op de meest Noord-Oostelijke grens van deze mijlstaak.
Zowel de grond als de molen was tot in het Ancien Regime eigendom van de heer van het Land van Woestijne.
Uit deze periode zijn enkele namen bekend van de molenaars-pachters:
Jan Braet (1645), weduwe Christiaan Braet (1665), Karel Heytens (1667), Martijn Dhaenens (1668),
Mathijs Serlippens (1669), Servaas De Poorter (1676), Jan Goethals, afkomstig uit Sijsele (1707),
Joannes Kerckaert (1730-32), Pieter-Jacob Hertschap (1741), Pieter Herschap (1777),
familie de Weirt (1782-1794), familie Gernaeys (1818-1867), Pieter-Bernardus De Bruyckere (1867-1877)
Na het omverwaaien van de molen tijdens een storm werd zij in 1804 met gebruikmaking van onderdelen van haar
verongelukte voorganger (onder andere de staak**, gedateerd "P .. HERTSCHAP 1782") herbouwd in haar huidige
verschijningsvorm.
**] Deze staak is vervaardigd uit een olm of iep, wat een eerder uitzonderlijke houtkeuze is. Op het einde van de 18de eeuw
was ook hier echter een massale sterfte van iepen vanwege de iepziekte en vermoedelijk voldeed deze betreffende
boom, ondanks de houtsoort, aan de vereiste lengte, omtrek en sterkte.
Op 17 september 1880 kocht Petrus Taets de molen en alzo kwam zij in private eigendom van de molenaarsfamilie Taets.
Petrus Taets was molenaar en eigenaar van 1880 tot zijn overlijden in 1920. De weduwe van Petrus Taets, mevrouw
Martens bleef eigenaar tot 1922 waarna haar zoon Henri Taets molenaar en eigenaar werd van de molen tot 1965.
De laatste beroepsmaalder op deze molen was aldus Henri Taets (°1881-†1965). Hij was een zeer godsvruchtig persoon
en hield buitengewoon veel van zijn molen en stond tot ver buiten Knesselare bekend om zijn schrandere geest en
buitengewone molenaarsvakmanschap. Molenaars die een probleem hadden met hun molen deden dan ook nooit tevergeefs
een beroep op Henri.
Streekbewoners, met name de oudere generatie, kennen deze molen dan ook als "Toatse Meuln", de molen van Henri...
Een naam die respect toont aan de molenaar en de historie van deze windmolen!
Henri Taets heeft gemalen tot zijn 83ste maar moest wegens ziekte in zijn laatste levensjaar toezien hoe de molen stil
bleef staan en langzaam achteruit ging. Het deed hem veel pijn te zien dat steun van hogerhand uitbleef om de molen
grondig te restaureren. Op 31 december 1965 overleed hij op 84 jarige leeftijd, maar zowel zijn weduwe als dochter wilden
de hoge kosten voor de windmolen niet meer dragen en de molen verviel vlug.
In 1966 verzocht de Koninklijke Rederijkerskamer van Sint-Elooi aan de gemeente Knesselare om de molen aan te kopen.
Zover kwam het niet want op 11 december 1966 werd de molen voor 80.000,- fr. eigendom van de heren Jozef De Mot
en Gilbert Steel uit Sint-Niklaas met de bedoeling de molen naar daar te verplaatsen.
Op 9 december had de gemeente echter al een voorstel tot rangschikking van de molen als monument ingediend met als
gevolg dat de molen op 11 september 1968 officieel bij Koninklijk Besluit als monument werd geklasseerd.
Hierdoor konden de eigenaars de molen noch afbreken, noch verplaatsen en aldus werd zij op 16 september 1974 door hen
doorverkocht aan de gemeente Knesselare voor 210.000,- fr.
In 1975 besloot de gemeente tot herstelling van de molen en de aanstelling van architect Paul Goethals als ontwerper.
Pas in 1979 echter, na bijna 15 jaar voortschrijdend verval, werd er door molenmaker Mariman voor 5.789.311,- fr.
begonnen aan de restauratie van de vervallen molen.
Door allerlei tegenvallende werken en meerwerken zou het tot 1983 duren voordat de molen terug hersteld zou zijn.
Uiteindelijk nam de totale restauratieperiode 9 jaar in beslag en kostte het herstel van de molen 9.178.369,- fr.
Sinds 2009 is de molen, na gefaseerde restauratie en onder de impuls van molenaar Ekelschot, weer regelmatig in bedrijf.
Na 45 jaar wordt de molen door hem terug op zéér regelmatige basis gebruikt waarvoor zij werd gebouwd: het vermalen
van granen. Dit mag zeker in deze moderne tijd en na zovele stille jaren toch wel als een klein wonder worden gezien!
Toatse Meuln is tegenwoordig dan ook één van de meest malende en draaiende molens van de provincies Oost- en
West-Vlaanderen en staat in de productie van bakkersgemaal (voornamelijk voor de particuliere thuisbakker, maar ook
voor bakkers in Bellem en Ursel) hoog op de eerste plaats.
Ons winkeltje, waar u als particulier uit een uitgebreid en steeds groeiend assortiment molenmelen en aanverwante
bakkerijproducten kunnen kiezen, is dan ook méér dan een bezoekje waard en molenaar Ekelschot geeft u graag uitleg.
Kom eens langs op de molen, al is het maar om de authentieke geur en sfeer van een levende molen te (her)ontdekken!